#87 - Vergeten vrouwen

Het overzicht van landschapschilders en -fotografen die inspiratie vonden in Genk, en in uitbreiding de Limburgse Kempen in de periode voor 1959 (wij hanteren de overlijdensdatum van Maclot als eindpunt van de geschiedenis van het station d’artistes) telt bijna vierhonderd (!) namen. Een indrukwekkend aantal, maar minder indrukwekkend is het aantal vrouwennamen op deze lijst. Dat is met amper 33 nog niet eens 10% van het totale aantal.

De afgelopen jaren zijn we actief op zoek gegaan naar de (veelal!) vergeten vrouwen in de landschapschilderstraditie van Genk. Van enkele van hen hebben we sindsdien werk kunnen toevoegen aan de museumcollectie, zoals Valerie Pholien (1873-1961), Marguerite Cambresy (1862-1925) en Henriette Rolin (1853-1920). Maar slechts af en toe kunnen we een nieuwe vrouwennaam toevoegen.
Waren het er zo weinig, of zijn hun namen gewoonweg opgegaan in de mist van de geschiedenis? Waarschijnlijk een beetje van beide. Vrouwen kregen heel wat minder kansen om zich artistiek te ontplooien en een kunstenaarsloopbaan uit te bouwen. En als ze dat al konden, dan is het opvallend dat de sporen die ze nalieten bijzonder moeilijk terug te vinden zijn.
De voorbeelden hiervan zijn legio. We lichten er een aantal uit.

Félicie Putzeys (1853-1929) was een getalenteerd leerling van Willem Roelofs, één van de meester van de Haagse School die lange tijd in Brussel woonde. In de collectie van het Emile Van Dorenmuseum bewaren sinds vorig jaar een werk van haar met de titel ‘Campine. Approche du soir, route de Gelieren à Genck’. Aan de horizon van het tafereel doemen de silhouetten van de windmolen en Sint-Martinuskerk op, waardoor je zeker weet: dit is een zicht op Genk, zelfs zonder de titel die de op achterzijde geschreven is. Vermoedelijk is dit een voorstudie va een schilderij dat bewaard wordt in de collectie van de stad Luik, in La Boverie.
Helaas weten we weinig meer over de maker van dit werk, behalve dan nog dat ze in gehuwd was met een mijningenieur en na haar huwelijk signeerde met de naam Ransy-Putzeys. Toen jaren geleden online een foto van haar aangeboden werd, aarzelden we dan ook niet en kochten deze aan ter aanvulling van de museumcollectie. En we moeten dan maar vertrouwen dat de handgeschreven notitie met haar naam op de achterzijde authentiek is en het een portretfoto is van de landschapschilder die we hier bespreken.

Je zou de moeilijkheid om meer te weten te komen over haar leven en werk misschien kunnen toeschrijven aan het feit dat ze bijna een eeuw geleden overleden is. Maar ook van meer recent overleden schilderessen vinden we vaak opvallend weinig informatie terug. Het beste voorbeeld hiervan is Louise Moens (1895-1963), van wie we een tijdje geleden een kleine aquarel op papier – een fraai heidezicht uit 1937 - in schenking ontvingen. We weten dat ze geboren en getogen is in Hasselt, lessen volgde bij Charles Wellens en lid was van Ars Proba en Pro Arte, twee Hasseltse kunstkringen. En daar stopt ongeveer alles wat we over haar weten. Ook Het Stadsmus in Hasselt, die werk van haar bewaren, zoeken al jaren naar verdere informatie over haar doen en laten, maar zonder succes.

Het is opvallend te moeten vaststellen dat het terugvinden van informatie over deze schilderessen vaak zo moeizaam gaat. En dit geldt zelf voor namen die in hun tijd geroemd werden om hun talent. Zoals voor Louise Héger, wiens briefwisseling bewaard in het documentatiecentrum van het Museum voor Schone Kunsten in Gent een boeiende inkijk geeft in het leven van deze boeiende kunstenaar, die Genk ooit beschreef als “un petit paradis… quand on a en t��te la peinture". Of zoals voor de pastelliste met de intrigerende naam Andaluzia Evans. Het toonaangevende tijdschrift L’Art Moderne schreef in 1891 dat deze getalenteerde en gedistingeerde schilderes haar zomerverblijf opgezet had in Genk en daarmee in de voetsporen trad van haar illustere voorgangers. Deze kleine verwijzing maakte ons nieuwsgierig naar meer. Het graven kon beginnen, maar we vonden vooralsnog weinig terug. We weten ondertussen met zekerheid dat ze geboren en getogen is in Carlow, Ierland en op zeker moment in Brussel belandde. Hier was ze directrice van een pensionaat voor jonge, Britse meisjes. Later huwde ze en stelde ze tentoon onder de naam De Lannoy-Evans. Naar haar pastels – vaak portretten, maar ook landschappen – vinden we in verschillende tentoonstellingscatalogi en krantenartikels referenties terug, maar tot vandaag hebben we nog nooit een werk van haar teruggevonden.

De zoektocht gaat verder en we hopen dat we het aantal vrouwennamen op onze lijst de komende jaren verder zien toenemen, misschien wel door informatie die iemand die dit nu leest ons bezorgt. Zoals bijvoorbeeld de naam van de schilderes en plein air die door Armand Maclot gefotografeerd werd. Haar naam kennen we niet. En deze wist Maclot zelf vele jaren later ook niet meer toen hij op de achterzijde van deze foto simpelweg “une élève” (een leerlinge) neerschreef. Marthe Bamps, die ook in de leer was bij Maclot, herinnerde zich dat er in haar tijd nog iemand, een meisje uit de omgeving van Bilzen meent ze zich te herinneren, les volgde bij hem, maar een naam heeft zij nooit geweten. En dus ook voor ons blijft ze voorlopig naamloos, schilderend in open lucht ergens in de omgeving van Kattenvennen.